Extra Nieuws

OMDAT HIJ ER IS . . . . . .

Voor sommige sportieve mensen is geen uitdaging groot genoeg. Voor een ultieme kick zoeken ze de grenzen van hun fysieke mogelijkheden op, liefst met een grote dosis gevaar voor een grote adrenalinekick.

Hannibal trekt over de Alpen

Voor sommigen is de zucht naar avontuur, het overwinnen van je eigen grenzen en de drang om het onmogelijke te presteren zó sterk dat ze bereid zijn om daarvoor hun leven in de waagschaal te stellen. In deze categorie moeten we de alpinisten zoeken, of met een gewoon Nederlands woord: bergbeklimmers.

Het beklimmen van de toppen van de wereld is een tak van sport die pas in de 19e eeuw is ontstaan. Daarvoor was het ongehoord om je leven hiervoor te wagen, bergtoppen zijn een vijandige omgeving waar de mens niets te zoeken heeft. In de oudheid geloofde men dat de bergtoppen de woonplaats waren van de goden. Angstaanjagende natuurverschijnselen zoals gletjers, lawines en vulkaanuitbarstingen hielden mensen uit de bergen weg. Toch zijn er uit de oudheid enkele beroemde bergbestijgingen bekend, zoals de Punische krijgsheer Hannibal die met zijn olifanten in de tweede eeuw voor Christus de Alpen over trok. Al eerder, rond 350 v.Chr., beklom Philippus van Macedonië een top in de Balkan omdat hij wilde weten of men vanaf één punt zowel de Adriatische Zee als de Egeïsche Zee kon zien.

De Jungfrau Trekken door de Alpen

Pas in de Renaissance begon men meer belangstelling voor de natuur te krijgen, en daarmee ook voor de bergen. Schilders als Leonardo da Vinci begonnen natuurlijke landschappen uit te beelden met grote nauwkeurigheid. In deze tijd werd voor het eerste een berg in de Alpen beklommen, en wel door de dichter Petrarchus die op 26 april 1336 de 1903 meter hoge Mont Ventoux in Zuid-Frankrijk beklom. In een brief aan zijn vader beschreef hij zijn tocht, waarbij hij vooral genoot van het schitterende uitzicht bovenop. Vooralsnog werd de prestatie van Petrarchus niet door anderen nagevolgd.

In de 16e eeuw zochten met name handelsreizigers naar manieren om de Alpen te doorkruisen. Te voet en te paard zochten zij met moeite hun weg door de voornaamste passen. Het waren zeker geen plezierreisjes, maar hun reisverslagen droegen wel bij aan wat er destijds bekend was over de weersomstandigheden in de Alpen. In 1574 werd een boek geschreven door een zekere Josias Simler uit Zürich, over de moeilijkheden die men kon ondervinden bij het reizen door de Alpen. Het bevatte nuttige tips: hoe men lawines en verborgen spleten kon ontlopen en hoe men touwen en stijgijzers kon gebruiken als hulpmiddel in de bergen. Degene die als vader van de bergsport wordt beschouwd is de Zwitserse eerwaarde Placidus à Spescha, een Benedictijner monnik die tegen het einde van de 18e eeuw een aantal verbluffende prestaties leverde. Hij beklom verschillende toppen van meer dan 3000 meter uit pure liefhebberij. Toch wekten zijn gewaagde expedities destijds weinig belangstelling.

De Russische generaal Suworow in de St. Gotthardpas (1799) De Saussure en zijn route naar de top van de Mont Blanc

Pas aan het einde van de 18e eeuw kreeg men, onder invloed van de Romantiek, meer belangstelling voor de natuur en dus ook de bergen.

In gedichten en verhalen werd de schoonheid van de Alpen bezongen. Wetenschappers gingen zich verdiepen in het ontstaan en het nut van de bergen. Een van hen was Horace Bénédict de Saussure, een natuurkundige die gefascineerd was door de Mont Blanc. In zijn boek 'Reizen in de Alpen', een mijlpaal in de nog jonge wetenschap van de geologie, geeft hij een logische verklaring voor het ontstaan en voortbewegen van gletsjers. Uiteindelijk wist hij in 1787, zonder elementaire hulpmiddelen als touwen, stijgijzers en klimhouwelen, de top van de Mont Blanc te bereiken. Een jaar eerder was deze berg al

Balmat en Paccard Het St. Gotthardmassief

bedwongen door Jacques Balmat en Michel Gabriël Paccard, maar omdat De Saussure een bekend geleerde was kwam zijn beklimming in alle kranten. Door zijn enthousiaste beschrijvingen van de expeditie zouden vele geleerden en avonturiers volgen, en in de daaropvolgende jaren werden allerlei bergen in de Alpen bedwongen.

In het midden van de 19e eeuw hebben twee gebeurtenissen de belangstelling voor de bergsport verder aangewakkerd. In 1851 slaagde een expeditie onder leiding van de Brit Albert Smith de top van de Mont Blanc te bereiken. In Londen organiseerde hij een drukbezochte lezing over de tocht met lichtbeelden die de belangstelling voor het alpinisme behoorlijk aanwakkerde.

De Wetterhorn 100 jaar Oostenrijkse Alpinistenclub (1978)

Nog meer indruk maakte het boek 'Zwerftochten door de hoge Alpen' uit 1854 van Sir Alfred Willis, een Engelse rechter en bergbeklimmer. Dit dramatisch en bezielend geschreven epos over de beklimming van de Wetterhorn (3700 meter) in het Berner Oberland ontroerde veel mensen. De bergsport werd als opwindend en heldhaftig ervaren, meer dan een andere sport of tijdverdrijf kon bieden. Verreweg de meeste alpinisten uit de periode 1854-1865, de eerste Gouden Tijd van het alpinisme, waren Engelsen. Als groep onderscheidden zij zich door moed, vastberadenheid en hartstocht voor de bergsport. Verbluffend vaak wisten zij als eerste een top te bereiken. Voor vele Britse bergbeklimmers veranderde de sport al gauw in een levensdoel: zoveel mogelijk toppen beklimmen. De Engelsen ontwikkelden een aantal erecodes en tradities die al gauw onverbrekelijk met het alpinisme verbonden waren. Opmerkelijk is de oprichting in 1857 van de eerste bergsportvereniging ter wereld, de 'Alpine Club'. Uiteraard in Londen, door een groep enthousiaste Britse alpinisten. De Club gaf ook een tijdschrift uit, waarin leden verslag uitbrachten van hun ervaringen en informatie werd opgenomen over routes en condities in de bergen.

Finsteraarhorn De Lyskamm (4527 m)

Het zal duidelijk zijn dat de bergsport door de hoge kosten slechts was weggelegd voor de hogere klassen. Een van de grootste kostenposten was het inhuren van lokale berggidsen, mannen uit de streek die bekend waren met het terrein en de weersomstandigheden. De meeste berggidsen uit die tijd waren Zwitserse boeren, die van oorsprong koeherders of gemzenjagers waren. In enthousiasme deden zij vaak niet onder voor hun opdrachtgevers. Velen onder hen hebben een ereplaats gekregen in de annalen van de bergsport. Het einde van het eerste gouden Tijdperk kwam in 1865, toen een viertal leden van een expeditie onder leiding van Edward Whymper bij de afdaling van de Matterhorn verongelukte. Whymper had al zeven keer eerder een poging ondernomen om deze klassieke alpenreus van 4478 meter te bedwingen.

Matterhorn

Toen het uiteindelijk lukte zijn zij waarschijnlijk in hun euforie onvoorzichtig aan de afdaling begonnen, waarna een aantal leden, aan elkaar verbonden met touwen, in de diepte stortte. Toch bleef de populariteit van de bergsport groeien. Rond 1900 waren alle toppen in de Alpen al wel een keer bedwongen. Nieuwe uitdagingen werden gezocht in het zoeken naar nieuwe, moeilijker of zelfs onmogelijke routes naar de Alpentoppen. De ontwikkeling van nieuwe hulpmiddelen en materialen maakte dit mogelijk. Een voorbeeld gaf de Britse arts Clinton Dent, die de loodrechte wand van de Grand Dru in het Mont Blanc massief in de Franse Alpen na 19 pogingen wist te bedwingen. Het klimmen langs steile rotswanden, het zgn. 'kletteren', vergde een nieuwe klimtechniek die heel anders was dan de traditionele bestijging via gletsjers en sneeuwwallen. Omstreeks 1930 waren slechts drie dreigende rotswanden in de Alpen nog niet bedwongen. Een daarvan was de noordwand van de Matterhorn: 1200 meter afbrokkelende rots zonder een enkele richel. Deze werd in 1931 voor het eerst bedwongen door twee jonge

Toppen in de Alpen: de Eiger, Mönch en Jungfrau

Duitsers, Franz en Toni Schmid. De tweede rotswand was de noordwand De derde van deze 'onmogelijke' rotswanden en de meest indrukwekkende in de Alpen was de noordwand van de Eiger in het Berner Oberland. Deze wand gaat zo?n 1000 meter onder de top 1800 meter vrijwel loodrecht omlaag. Pas in 1938 lukte het een Duits-Oostenrijks team van vier man de top van de Eiger via deze wand te bereiken. van de Grandes Jorasses, die in 1935 bedwongen werd.

Als klimmers in gevaar komen staat de reddingsdienst paraat Modern reddingsmateriaal: de helikopter

Het gebeurde kort na de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland, waardoor het succes door de nazi's propagandistisch werd uitgebuit. Vanwege het grote aantal omgekomen klimmers bij hun pogingen wordt de noordwand van de Eiger ook wel 'Mordwand' genoemd. Terwijl in de tweede helft van de 19e eeuw de meeste alpentoppen bedwongen werden, gingen bergbeklimmers ook naar andere toppen in de wereld kijken. De eerste expeditie buiten de Alpen vond plaats in 1868 in de Russische Kaukasus, waar een Britse expeditie onder leiding van geoloog Douglas Freshfield zich bezig hield met het verkennen en in kaart brengen van dit gebergte. In 1874 werd hier de hoogste berg van Europa, de 5633 meter hoge Elbrus, beklommen. In de equatoriale zone in Oost Afrika staan ook een aantal bergen die zich in de warme belangstelling van alpinisten mogen verheugen. De hoogste berg van Afrika staat in Tanzania, de 6557 meter hoge Kilimanjaro.

De Kilimanjaro in Tanzania Mount Kenia

Deze uitgedoofde vulkaan wordt beschouwd als één van de mooiste bergen ter wereld en is tevens de hoogste vrijstaande berg op aarde. De hellingen glooien omlaag vanaf de hoogste top (de Kibo) naar de weelderige tropenwouden aan de voet. De krater heeft een doorsnee van ruim 2 kilometer en de bovenste hellingen zijn bedekt met ijs. De Kilimanjaro is vele malen beklommen sinds de Duitse geleerde en alpinist Hans Meyer dit voor het eerst deed in 1889. De één na hoogste berg van Afrika is Mount Kenia, 320 km ten noorden van de Kilimanjaro. Ook dit is een uitgedoofde vulkaan, maar de hellingen zijn woest en steil.

Op de grens van Uganda en Congo-Kinshasa (het vroegere Zaïre) ligt de Ruwenzoriketen, met als hoogste top Mount Stanley (5588 m). Deze bergketen wordt ook wel met de romantische naam 'Mountains of the Moon' aangeduid. De toppen zijn doorgaans door stormen en nevelen omhuld en pas in 1889, toen de Amerikaanse ontdekkingsreiziger Henry Stanley het gebied onderzocht, werd hun volle omvang bekend. De eerste expedities werden telkens teruggedreven door stortbuien. Men heeft berekend dat er 350 dagen per jaar regen valt op deze berghellingen.

Mount Cook Fremont, Rocky Mountains

Het Zuidereiland van Nieuw Zeeland trekt ook veel -vooral beginnende- alpinisten. Het bergmassief is lager dan de Alpen, maar heeft veel moeilijk te beklimmen toppen. De hoogste berg is Mount Cook, 3766 meter hoog. Het afbrokkelende gesteente, de vele lawines, gekloofde gletsjers en snel veranderende weersomstandigheden bieden ook de doorgewinterde alpinist voldoende uitdagingen. Het is een uitstekend oefengebied voor jonge alpinisten, die hier ervaring op kunnen doen voor gewaagdere expedities. In de Verenigde Staten kwam de bergsport relatief laat op gang. Het is ironisch dat die land, met een van de langste bergketens ter wereld, maar weinig toppen bezit die alpinisten kunnen uitdagen.

Enkele uitzonderingen daargelaten hebben de Rocky Mountains, de Cascade Range en de Sierra Nevada ronde vormen en glooiende hellingen, waarvan men de toppen met een fikse bergwandeling kan bereiken. De hoogste top is Mount Whitney (4420 m.) in de Sierra Nevada.

Mount McKinley, Alaska Yosemite Devils Tower

Wel een enorme uitdaging vormt Mount McKinley in Alaska, waarvan de zuidelijke top liefst 6194 m. hoog is. Deze berg, net onder de poolcirkel, rijst met zijn naaste buur, Mount Foraker, in grandioze verlatenheid omhoog uit een sombere laagvlakte. De berg is niet alleen opvallend om zijn hoogte, maar ook om de barre omstandigheden bij de top. Op hoger gelegen hellingen komt de temperatuur nooit boven -18 graden C en de bittere kou wordt bijna ondraaglijk door stormwinden die soms een snelheid bereiken van meer dan 150 km. per uur.

Dit alles maakt een beklimming van Mount McKinley tot een echte poolexpeditie. In 1913 werd de berg na vele pogingen uiteindelijk bedwongen. Veel Amerikanen bekwamen zich in het beklimmen van steile wanden, zoals die te vinden zijn in bijvoorbeeld het Yosemite National Park. Berucht is de Devils Tower in Wyoming, die 260 meter loodrecht omhoog steekt boven de omringende heuvels, als een prehistorische wolkenkrabber. Lang werd het als een onbeklimbare rots beschouwd. Sinds deze Duivelstoren in 1937 voor het eerst werd bedwongen is dit één van de klassieke rotsbestijgingen in de VS geworden.

De ultieme uitdaging voor alpinisten wordt natuurlijk gevormd door de Himalaya, het dak van de wereld. Het is het meest uitgestrekte gebergte ter wereld, met toppen die in hoogte nergens worden geëvenaard. De weinige passen zijn zelden lager dan 5000 meter, en zijn door stormen, lawines en de jaarlijkse moessonregens maar enkele maanden per jaar toegankelijk. Het woord 'Himalaya' is afkomstig uit het oude Sanskriet en betekent 'Huis van Sneeuw'. De ontdekking van dit gebergte begon halverwege de 18e eeuw, toen de Britse Oost-Indische Compagnie vaste voet kreeg in Brits-Indië. Er werd een groot project op touw gezet om het hele Indische subcontinent in kaart te brengen, inclusief de lange boog van bergen langs de noordgrens van India. Deze opdracht zou het Corps van Engelse Landmeters meer dan honderd jaar handenvol werk geven. De directeur van de Indian Trigonometrical Survey, zoals het in kaart brengen van het subcontinent werd genoemd, was Sir George Everest.

De K2 in Pakistan Mount Everest

Hij was het die als eerste de triangulatie of driehoeksmeting toepaste bij het karteren om zo de samenhang te berekenen tussen elke twee willekeurige punten in India. Het maakte ook mogelijk de posities van de toppen in de Himalaya vast te stellen en, nog belangrijker, hun hoogte boven de zeespiegel.

Toppen in de Himalaya India

In 1852 werd met deze metingen de hoogste berg ter wereld ontdekt, op de grens van Tibet en Nepal. Later werd deze bergtop, Piek XV op de landmeterskaarten, Mount Everest genoemd naar de directeur van het Landmeterscorps. Voor de Tibetanen is de berg nog altijd de Chomolungma, de 'Goddelijke Moeder van de Sneeuwvelden'. De officiële hoogte is vastgesteld op 8848 meter. Naast de Mount Everest telt de Himalaya nog dertien andere toppen boven 8000 meter. De tweede berg in hoogte, de K2 (8611 m.), ligt in het Karakoram gebergte op de grens van Pakistan en China. Tot 1921 konden er geen expedities in de Himalaya ondernomen worden, omdat Tibet en Nepal hun grenzen voor buitenlanders gesloten hielden. Na de Eerste Wereldoorlog werd de Dalai Lama, de geestelijk leider van Tibet, overgehaald om expedities via zijn land toe te staan. Diverse expedities werden op touw gezet, maar veelal met dramatische afloop. Er werden tot de Tweede Wereldoorlog een zestal vergeefse pogingen ondernomen om de Mount Everest te bedwingen. De meest dramatische was in 1924, waaraan werd deelgenomen door de indertijd beroemde Britse bergbeklimmer George Mallory.

Mount Everest in Nepal Hillary en Tenzing

Gevraagd waarom hij de Mount Everest wilde beklimmen sprak hij de gevleugelde woorden: "Omdat hij er is!" Helaas overleefde hij zijn poging niet, in 1999 werd zijn lichaam gevonden, slechts 244 meter onder de top. Nadat ook Nepal in 1947 zijn grenzen voor expedities opende begon in het begin van de jaren 50 van de vorige eeuw een race naar de top van de Mount Everest. Dankzij een goede voorbereiding en prima samenwerking slaagden Edmund Hillary uit Nieuw-Zeeland en sherpa Tenzing Norgay er in 1953 in het hoogste punt op aarde te bereiken.

Inmiddels hebben ruim 2000 mensen deze prestatie geëvenaard. De Everest staat dan ook niet bekend als de moeilijkste van de 14 'achtduizenders' in de Himalaya om te beklimmen. Dat is de K2, die als bijnaam heeft de 'Killer Mountain'. In de 'zone des doods', het gebied boven de achtduizend meter, kan men in de ijle lucht eigenlijk niet zonder extra zuurstof klimmen. Toch hebben enkelen het al gepresteerd om de top van de Mount Everest zonder zuurstofflessen te bereiken.

De Wilder Kaiser in Tirol

Doorgewinterde alpinisten blijven zoeken naar nieuwe uitdagingen, ook nu alle hoge toppen ter wereld al eens bedwongen zijn. Men blijft zoeken naar nieuwe, gevaarlijker routes, die door nieuwe klimtechnieken en beter klimmateriaal mogelijk zijn geworden. Maar ook als u niet de toppen wilt bestormen blijven de bergen zeer aantrekkelijk, al is het maar om heerlijk te wandelen en te genieten van de natuur.


Deze Oostenrijkse zegel verscheen op 12 januari 2012 ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de Oostenrijkse Alpenvereniging (zegel collectie JdL).

Ton Vis

Dit is een artikel dat wij met toestemming konden overnemen uit "De Postkoets", het verenigingsblad van de gelijknamige filatelistenvereniging uit Nieuwegein.